top of page

Midnight's Children - Salman Rushdie

Wist u dat de heer Salman Rushdie, die al een paar keer bijna werd vermoord vanwege een aantal letters die hij in een bepaalde volgorde na elkaar heeft geplaatst, nog nooit de nobelprijs voor de literatuur heeft gewonnen?

Nog nooit is misschien verkeerd uitgedrukt, je kan die prijs immers slechts één keer ontvangen, en daarvoor moet men op het moment van de uitreiking in leven zijn.


Dat zou trouwens, volgens de overlevering, de reden zijn dat de Aalsterse alcoholieker en volksmens Louis Paul Boon deze prijs nooit heeft gekregen. Hij was zo gestresseerd van het feit dat hij hem ging winnen, dat hij doodviel. En dat mag niet. Dan krijg je hem niet.


Maar terug naar Salman Rushdie. Ondanks het feit dat ik me al geruime tijd bewust ben van zijn renomméeéé als schrijver, die gelukkig niet alleen te wijten is aan het feit dat er een fundamentalistische religieuze leider in Iran ooit een fatwa over hem uitsprak naar aanleiding van de publicatie van De Duivelsverzen, had ik nog nooit een boek van hem gelezen.


En toen ik bij het rondstruinen in de bibliotheek op de achterflap van Midnight's Children las dat die THE BOOKER OF BOOKERS had gewonnen, dacht ik: 'dit wordt 'm, mijn eerste Rushdie.'


En meteen werd duidelijk dat deze Britse Indiër niet van een gebrek aan ambitie verdacht kan worden. Hier moet men zijn hoofdje bij houden, want dit is een wervelwind van verhaallijnen, perspectiefwisselingen, gespeel met (de afwezigheid van) leestekens, uitstalraam van een uitgebreid vocabularium, met als ruggegraat de geschiedenis van India, en dan vooral de gebeurtenissen sinds 1947.


Door verschillende generaties neemt de verteller, die door Rushdie (en daar zullen ongetwijfeld doorwrochte doctoraten over geschreven zijn) een zeer bijzonder uiterlijk heeft gekregen: voornamelijk een komkommerachtige druipneus, maar daarnaast ook nog een heleboel andere afwijkingen in het gezicht, die een cruciale rol spelen in het verhaal.


Er is echter iets vreemd (of is het vreemds) aan de hand (of is het hands, grapje, dat is iets voor mensen die tegen een bal schoppen) aan de hand met dit boek. Uiteraard is dit een tour de force van één van de grote schrijvers van zijn generatie. Het is dik, ambitieus en beeldrijk geschreven. Oké, er ligt een dikke laag magisch-realisme overheen, maar dat is een kwestie van smaak. Sommige mensen houden ervan, anderen moeten ervan kotsen. Er zijn natuurlijk ook mensen die het nut van fictie op papier niet interessant vinden, maar dan kan je gelijk alle andere kunstvormen in de vuilbak gooien.


Wat er vreemd is, is dat ik elke keer - ondanks de inspanning die er altijd meer is wanneer ik in het Engels lees - merk dat het heel goed is, dat het mooi in elkaar zit, en dat de personages goed beschreven worden, en dat het wisselende vertelperspectief ook intellectueel prikkelend is, maar dat het ondanks of dankzij dit alles ook een boek is dat mij niet naar zich toe zuigt.


Iemand (misschien was het wel Kristien Hemmerechts) zei ooit: 'lezen moet niet gemakkelijk zijn, lezen mag, en moet zelf, ook soms moeilijk zijn'. Oké, ik heb de quote niet opgezocht, misschien zei ze het wel anders, maar daar kwam het op neer, op de uitdaging en de inspanning en de beloning die daarop volgt.


Ik moet nu wel zeggen dat die inspanning misschien nog groter was bij Solenoïde dan bij deze Midnight's Children, maar er is wel iets van aan denk ik.


Want uiteraard bouwt Rushdie hier iets betekenisvol op, met een apotheose die het geheel keurig afsluit, maar ik vond het ondanks de onontkenbare genialiteit toch meestal iets te cerebraal.


Op naar de ellenlange excerpten dan maar:

Unless, of course, there's no such thing as chance; in which case Musa - for all his age and servility - was nothing less than a time-bomb, ticking softly away until his appointed time; in which case, we should either - optimistically - get up and cheer, because if everything is planned in advance, then we all have a meaning, and are spared the terror of knowing ourselves to be random, without a why; or else, of course, we might as pessimists - give up right here and now, understanding the futility of thought decision action, since nothing we think makes any difference anyway; things will be as they will. Where, then, is optimism? In fate or in chaos? Was my father being opti- or pessimistic when my mother told him her news (after everyone in the neighbourhood had heard it), and he replied with, 'I told you so; it was only a matter of time'? My mother's pregnancy, it seems, was fated; my birth, however, owed a good deal to accident.

'It was only a matter of time,' my father said, with every appearance of pleasure; but time has been an unsteady affair, in my experience, not a thing to be relied upon. It could even be partitioned: the clocks in Pakistan would run half an hour ahead of their Indian counterparts. Mr Kemal, who wanted nothing to do with Partition, was fond of saying, 'Here's proof of the folly of the scheme! Those Leaguers plan to abscond with a whole thirty minutes! Time Without Partitions,' Mr Kemal cried, "That's the ticket!'
But the tropical summer grows stranger fruit as well: the exotic flowers of the imagination blossom, to fill the close perspiring nights with odours as heavy as musk, which give men dark dreams of discontent then as now, unease was in the air. Language marchers demanded the partition of the state of Bombay along linguistic boundaries - the dream of Maharashtra was at the head of some processions, the mirage of Gujarat led the others forward. Heat, gnawing at the mind's divisions between fantasy and reality, made anything seem possible; the half- waking chaos of afternoon siestas fogged men's brains, and the air was filled with the stickiness of aroused desires.

No colours except green and black the walls are green the sky is black (there is no roof) the stars are green the Widow is green but her hair is black as black. The Widow sits on a high high chair the chair is green the seat is black the Widow's hair has a centre-parting it is green on the left and on the right black. High as the sky the chair is green the seat is black the Widow's arm is long as death its skin is green the fingernails are long and sharp and black. Between the walls the children green the walls are green the Widow's arm comes snaking down the snake is green the children scream the fingernails are black they scratch the Widow's arm is hunting see the children run and scream the Widow's hand curls round them green and black.

Once, conjurers card-tricksters puppeteers and mesmerists marched triumphantly beside a conquering army; but all that is forgotten now, and Russian guns are trained on the inhabitants of the ghetto. What chance do Communist wizards have against socialist rifles? They, we, are running now, every which way, Parvati and I are separated as the soldiers charge, I lose sight of Picture Singh, there are rifle- butts beating pounding, I see one of the contortionist triplets fall beneath the fury of the guns, people are being pulled by the hair towards the waiting yawning vans; and I, too, am running, too late, looking over my shoulder, stumbling on Dalda-cans empty crates and the abandoned sacks of the terrified illusionists, and over my shoulder through the murky night of the Emergency I see that all of this has been a smoke- screen, a side-issue, because hurtling through the confusion of the riot comes a mythical figure, an incarnation of destiny and destruction: Major Shiva has joined the fray, and he is looking only for me. Behind me, as I run, come the pumping knees of my doom

The picture of a hovel comes into my mind: my son! And not only my son: a silver spittoon, inlaid with lapis lazuli! Somewhere in the confusion of the ghetto a child has been left alone somewhere a talisman, guarded for so long, has been abandoned. The Friday Mosque watches impassively as I swerve duck run between the tilting shacks, my feet leading me towards flap-eared son and spittoon. but what chance did I have against those knees? The knees of the war hero are coming closer closer as I flee, the joints of my nemesis thundering towards me, and he leaps, the legs of the war hero fly through the air, closing like jaws around my neck, knees squeezing the breath out of my throat, I am falling twisting but the knees hold tight, and now a voice - the voice of treachery betrayal hate! - is saying, as knees rest on my chest and pin me down in the thick dust of the slum: 'So, little rich boy: we meet again. Salaam.' I spluttered; Shiva smiled.

3 views

Recent Posts

See All

Komentarze


bottom of page