top of page

Onder professoren - Willem Frederik Hermans

Het moet van 'Nooit meer slapen' geleden zijn dat ik nog iets van deze dode Nederlandse schrijver heb gelezen. Dit boek wordt meestal vernoemd als het over zijn belangrijke werken gaat. Ik dacht dat het een sleutelroman was, maar volgens het nawoord mag dat niet:

Er moet uitdrukkelijk tegen worden gewaarschuwd onder professoren te lezen als een sleutelroman, d.w.z. een geschiedenis die nagenoeg echt zo gebeurd is, met personages die echt bestaan onder andere namen. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Terwijl er natuurlijk wel degelijk sprake is van een soortement afrekening of karaktermoord op een aantal sujetten uit de eigen universitaire tijd van Hermans, zo lezen we in het voorwoord:

Wij Juliana ....hebben goedgevonden en verstaan: gerekend van 1 september 1973 op zijn verzoek aan dr. W.F. Hermans eervol ontslag te verlenen als gewoon lector aan de rijksuniversiteit te Groningen.’ Het eindpunt van de wetenschappelijke carrière van W.F. Hermans is in de ambtelijk gestelde, officiële ontslagbrief ontdaan van alle drama. Maar achter het simpele papiertje gaan jarenlange frustraties en verbittering schuil. Tussen Hermans en de Groninger universiteit is het nooit meer goed gekomen. Nog in 1993 laat W.F. Hermans via zijn secretaresse weten dat hij geen gehoor geeft aan de uitnodiging een literaire manifestatie in Groningen bij te wonen: ‘U moet de (ex)professoren Tamsma en De Koning op de Grote Markt halfnaakt aan staken binden, langzaam half dood martelen, en vervolgens lichtelijk roosteren boven een kittig houtvuurtje en tenslotte ophangen aan de Martinitoren. Voor minder komt hij niet.’ Omgekeerd spreekt professor Tamsma tot op de dag van vandaag over de schrijver als ‘de nagel aan mijn doodskist.’

Dit is natuurlijk allemaal gevonden vreten voor menselijke wezens die van het schrijven over schrijvers hun leven hebben gemaakt. Uit een lang artikel over deze kwestie:

De correspondentie neemt steeds kinderachtiger vormen aan. Hermans: ‘Waarde Tamsma, ik ben geroerd en getroffen dat een zich reeds overbelast achtend hoogleraar de tijd en de moeite heeft kunnen nemen mij een zo lange brief te schrijven….’ Tamsma: ‘Weledelzeergeleerde Heer, Hoewel onze correspondentie een bijkans levendig karakter dreigt aan te nemen, wil ik haar ten aanzien van de onderhavige kwestie hierbij toch beëindigen in de zekerheid dat mijn standpunt niet nader tot u is gekomen, terwijl anderzijds uw vermaard scherpe geest niet bij machte blijkt mijn (even bekend?) botte ervan te overtuigen dat het gelijk aan uw kant ligt.’ Het slot van het lied is dat de collega’s besluiten elkaar zoveel mogelijk te ontlopen.
[...]
Tenslotte mondt de brief van Hermans uit in karikaturen van Keuning en Tamsma die vooruit lijken te lopen op de roman ‘Onder Professoren’. Keuning wordt geschetst als een ‘beperkte geest pogend…met versleten stadhuistaal…foute beslissingen doordrijvend met list en bedrog” en Tamsma ‘die tot eigen en andermans ongeluk toch hoogleraar is geworden…elke innerlijke beschaving mist…een intrigant die, stervend van jaloersheid, de door hem benijde poogt te bekladden met uit boulevardbladen nagezanikte oudewijvenpraat…’

In 'Onder professoren' verwerkt Hermans zijn frustratie met zijn academische leven met een ongenadige blik op de huiselijke en relationele besognes van de hoofdpersonages en krijgen ook de maatschappelijke, door studenten(protest) gedreven omwentelingen, een veeg uit de pan.


In het begin van de roman gaat de bal aan het rollen door het toekennen van de Nobelprijs chemie aan professor Dingelam:

In de deuropening botste hij tegen Gré op, die de rolstoffer wegbracht. ‘Gré,’ zei hij, schraapte zijn keel en voegde eraan toe: ‘Raad eens wat er gebeurd is?’ ‘Gauw zeggen en ga je dan scheren.’ ‘Ik heb de Nobelprijs gekregen,’ zei Dingelam. ‘De Nobelprijs? En wat krijg je dan?’ ‘Tweehonderdtachtigduizend gulden, of zoiets. Waarom?’ ‘Maar daar kunnen we toch niet van leven?’ Zijn mond viel open van verbazing en hij duwde het telegram met twee handen tegen zijn borst, alsof hij bang was dat ze hem dat ook nog zou afpakken. Gré, denkend dat hij haar niet begrepen had, verduidelijkte nu: ‘Maar man! Tweehonderdtachtigduizend gulden, dat is nog geen vier keer je jaarsalaris. Daar ben je zo doorheen!’ Wat die fluitketel deed, kon je eigenlijk geen fluiten noemen. Hij maakte kenbaar dat het water kookte, maar fluiten was het niet. Het was spatten, sputteren en sissen. Gré met haar rolstoffer bereikte de keuken eerder dan Dingelam en draaide het gas uit. ‘Ga je nu scheren, dan zet ik meteen thee.’

De relatie tussen professor 'Roef' en zijn vrouw Gré is de rode draad, en echt vrolijk wordt je niet van dat huwelijk:

‘Geld!’ riep Roef verbitterd uit, ‘geld! Dat is het enige wat je interesseert! Hoeveel geld is het? Dat is het eerste waar je aan denkt. Aan mij denk je nooit. Aan mij heb je nog nooit gedacht. Dat ik iemand was die wel eens een Nobelprijs zou kunnen krijgen, dat is in jouw kleine-spaarders brein nog nooit opgekomen.’

Of:

Tien minuten was deze dialoog nu geleden. Hij dacht er met genoegen aan terug. Hoeveel hij ook op Gré aan te merken had, ze hield tenminste wel van vis. Vis was een onderwerp waar hij met haar over praten kon. Over tetracyclopentadienyltitanium kon hij niet met haar praten. Daarvoor had ze niet lang genoeg gestudeerd en trouwens, het interesseerde haar geen steek. Het gebeurde maar zelden dat er onderwerpen in zijn brein aan de orde kwamen, die zich leenden voor een gedachtenwisseling met Gré. Dat was jammer, maar niets aan te doen.

Of:

‘Hij gaat een beetje moeilijk van de graat,’ zei ze. ‘Dat komt doordat hij te koud is. Je had...’ Gré smeet de vork en het mes allebei tegelijk neer, met zoveel kracht dat er een scherf van het bord afsprong. ‘Doe ik het weer niet goed?’ zei ze, ‘heb je aanmerkingen? Maak die rommel dan maar zelf schoon.’ Even was ze stil. Daarna slaakte ze een snik zo verschrikkelijk dat haar bril er scheef van zakte en half stamelend, half gillend, zet ze: ‘Ik! Ik doe nooit wat goed! Nooit, nooit, nooit. Altijd weet jij alles beter en ik kan niks. Ik doe mijn best, maar al ga ik op mijn kop staan, dan ben je nog niet tevreden.’ ‘Nee, als jij op je kop gaat staan, daar hebben we allebei niks an. Kom nou Gré.’ Hij liep om de tafel heen, pakte haar bij haar middel en wilde haar kietelen. ‘Blijf van me af. Laat me met rust. Vreet die paling maar in je eentje op. Ik moet er niet van. Ik wou dat ik dood was, dood! Altijd heb je kritiek! Alsof ik een imbeciel ben of een klein kind. Nooit ben je tevreden, nooit!’ ‘Maar Gré, ik heb alleen gezegd dat die paling een beetje koud is en dat je...’ ‘Ach, hou je mond. Ik weet het al lang!’

Of, vanuit de blik van Gré bekeken:

‘Ik kan net zo goed weggaan. Die man heeft niets aan mij. Er is feitelijk op de hele wereld nog nooit iemand geweest die wat aan me had. Eigen stomme schuld. Ik had beter een invalide kunnen trouwen. Of een man die een beetje achterlijk is. Maar ik ben bij een genie terechtgekomen. Hij weet alles beter, alles.’

Verder kan de lezer zich niet van de indruk ontdoen dat Hermans niet veel op had met de studentenmentaliteit in de naweeën van mei '68:

In de vestibule, waar een stuk of acht studenten stonden te praten, vroeg ze: ‘Is Lucas er nog?’ ‘Die was net weer teruggekomen,’ zei een bleke sladood met een zeehondensnor en stak zijn wijsvinger omhoog: ‘Boven.’ Laetitia ging de monumentale trap op. Treden van Noors graniet, door stalen buizen aan elkaar verbonden, leuningen van massief teakhout, stijl 1950. In de openslaande deuren van de grote sociëteitszaal verlangzaamde zij haar passen en keek rond. Het kostbare parket van de vloer vertoonde de grillige uitgebeten figuren die worden achtergelaten door plassen bier en braaksel, nadat ze uren zijn blijven liggen. Het meubilair bestond uit ronde tafeltjes van kaal massief eikehout en leren leunstoelen, die overal elders onverwoestbaar zouden zijn geweest, maar hier op vele plaatsen gescheurd.

En ook:

Zonder uitzondering waren de studenten gekleed op een manier of ze alles wat ze aanhadden op een vuilnisbelt hadden gevonden. De meesten waren ongeschoren en iets minder dan de helft droeg lange baarden. Hun ongewassen broeken, met lappen van verschillende kleur versteld, getuigden van de versletenheid die de mode voorschreef. Hun broekspijpen eindigden in eigentijdse grijze rafels. Meestal hadden de jonge mensen geen sokken aan en een enkele zelfs geen schoenen. Zozeer was deze rijkste jeugd aller tijden met de armoede in de wereld begaan, dat zij in knusse, maar peperdure winkeltjes flinke sommen op tafel legde om plunjes te kopen die honderd jaar geleden door inhalige industriëlen bedacht waren voor onderbetaalde havenarbeiders in Amerika. Broeken met zulk slecht garen in elkaar gezet, dat de stof op vitale punten door koperen klinknagels moest worden versterkt.

Tussen de plotontwikkelingen door laat Hermans zijn licht over een aantal andere maatschappelijke fenomenen schijnen:

Een landelijk huisje met een ruime tuin er omheen. De vaderlandse gewoonte getrouw, die een van de vele kleinigheden is, waarover we de buitenlander laten gapen van verbazing, bleven ook na zonsondergang alle gordijnen open. Van de straat af was zonder belemmering waar te nemen wat er in Kaeckebeke’s zitkamer plaatsgreep, evenals je dat bij zijn buren kon zien. Wij Nederlanders doen dit, zegt de Fransman Miraud in zijn boekje ‘La Hollande burlesque’ om bij onze medeburgers niet de vunze gedachte te doen opkomen dat we, zodra het lamplicht brandt en we ons achter gesloten gordijnen veilig wanen, gaan eten met open mond, smakken, op de grond spugen, onze echtgenoten uitkleden om lichaamsstraffen toe te dienen, of onze broeken naar beneden doen om met ieder die zich grijpbaar onder ons dak bevindt, ontuchtige handelingen te verrichten. En deze vrees voor andermans schunnige fantasieën, zegt de Fransman, komt voort uit het puritanisme waarin de Nederlander wordt opgevoed.

Of wat milde kritiek op zijn schrijverscollega's:

En op het leggen van accenten kwam het aan, dat wist elke academische redenaar. Ook een wat luchtiger accent zou niet misplaatst zijn. Een citaat van Godfried Bomans misschien? Maar die naam was langzamerhand in het vergeetboek geraakt. Die las niemand meer. Dan een andere katholieke grappenmaker, want een katholieke grappenmaker moest het wezen vanwege de oecumene en de mede-menselijkheid. Verdikkeme... ja! Die bekeerde communistische schrijver, aan wie God verschenen was in de gedaante van een ezeltje... Wie was dat ook al weer? Er zat toch iets aardigs in, God voor te stellen als een ezeltje. Een paar gereformeerde geestdrijvers hadden er schande over geroepen. Hovaardige farizeeërs waren dat, zonder gevoel voor humor en zeker helemaal vergeten dat Jezus-zelf wel eens op een ezeltje had gereden (zoals we allemaal wel eens paardje gereden hebben op de rug van onze vader). Verdraaid, hij kon niet op de naam komen van die schrijver. Simon...? Nee. Van...? Nee. Van het...? Nee ook niet. Mensen die de diepere verbanden niet zagen, hadden geprobeerd het hem moeilijk te maken, dat herinnerde hij zich nog wel.

De dialogen tussen en beschrijvingen van de verschillende academici en hun partners in dit boek zijn fijn uitgewerkt en komen zeer tastbaar over:

‘Maar ik meen me te herinneren dat het gisteravond in de krant stond hoeveel het was,’ zei Kaatje. ‘Stond het erbij??’ vroeg Ajold, ‘dat herinner ik me niet. Maar het is zeker zoiets als drie ton.’ ‘Drie ton!’ zei Gonnie, ‘toch nog heel wat zeg en dat voor Dingelam!’ ‘Die Gré,’ zei Piet, ‘dat is toch al zo’n zuinige. Wat hebben ze er eigenlijk aan?’ ‘O!’ riep Kaatje, ‘die mensen zijn zo zuinig! Daar heb je gewoon geen voorstelling van! Je had het gezicht van Gré moeten zien, toen ik haar vroeg of ze wat wilde bijdragen voor de Ban-de-Bom-beweging. Je raadt nooit wat ze zei.’ ‘Wat zei ze dan?’ ‘Nee hoor,’ zei ze, ‘met die stem als een figuurzaagje. Ze zegt...’ ‘Een stem als een figuurzaagje!’ ‘Een stem als een figuurzaagje, vinden jullie dat zo gek?’ ‘Schitterend! Een stem als een figuurzaagje!’ ‘Ja, zo is die stem nu eenmaal. Maar goed. Gré zegt: Voor de Ban-de-Bom-beweging? zegt ze. Dat vind ik nou helemaal onzin. Eerst een hoop geld uitgeven om de bom te maken en dan nog eens een boel geld om hem weer uit te bannen. Dat zei ze. Ik zweer je, dat zei Gré.’

Of nog:

Aan zijn bril te zien, was hij niet zo modern. Zijn bril was helemaal niet zo’n stalen brilletje van de Beatles. Des te verwonderlijker moet dit worden genoemd, omdat iedereen die professor Pap op gezette tijden ontmoette, onmogelijk kon voorbijgaan aan het feit dat deze hooggeleerde zeer frekwent van bril veranderde. Lang niet iedereen wist de verklaring van dit verschijnsel. Maar Ongering wist het wel, dank zij een onthulling van Ballingh. Het kwam doordat Tabe Pap de dichter Remko Kampurt bewonderde (een beroemde dichter) maar Ongering las nooit gedichten en hoe die naam geschreven werd, wist hij dus niet precies. Deed er ook niet toe. Het ging om ’s dichters bril. Niet zijn ogen waren het, maar het was zijn bril die Remko Kampurt veel inspiratie verschafte zoals de dichter Ballingh desnoods met versregels van Kampurt had kunnen aantonen. De bril van de zanger besloeg op koude zolderkamertjes, werd nat van tranen, viel in de wc na overmatig drankgebruik, dreigde kapotgeslagen te worden door Armando (een andere beroemde dichter, die boksen kon) en als dat niet gebeurde, woei de bril af door de wind en werd platgetrapt door een passerende boerenheikneuter of, nog tragischer, door de dichter zelf onder het zoeken ernaar. Knars, zei de bril, toen wist de dichter waar hij hem moest zoeken, maar het hoefde al niet meer. Zei niet reeds Oscar Wilde: Een koning kan het over z’n hart verkrijgen zich te bukken voor een artiest om een penseel op te rapen, maar als het volk zich bukt, is het alleen maar om met modder te gooien? Als de bril van Kampurt op de grond viel, raapte niemand hem voor hem op, want de koningin had het veel te druk met de ontvangst van allerlei pseudomarkiezen. Kampert (of -purt, of Cam-) kocht dus, noodgedwongen, menigmaal een nieuwe bril.

Toch is mijn eindindruk er één van Hermans als een redelijk verbitterd man, met allerlei onvervulde dromen en verlangens die met weemoed terugdenkt aan hoe vroeger alles beter was:

U bent helemaal geen gemakkelijke... Aha, zo werd er dus achter zijn rug over hem gepraat. Ondankbaar tuig. En gelogen. Geen gemakkelijke? Als hij een student nota bene zijn tentamen tot drie keer toe liet overdoen? Geen gemakkelijke? In zijn eigen studietijd was dat wel anders geweest! Toen zei een hoogleraar in zulke gevallen: Laat u zich hier maar niet meer zien, meneer, want voor de scheikunde bent u niet in de wieg gelegd. ‒ Zo ging dat toen. Het klonk cru, het was een zware slag voor zo’n student, want hij studeerde van zijn eigen geld of dat van z’n vader. De zeer schaarse beursstudenten waren toen uitzonderlijk knap, tegen hen hoefde zulke taal niet te worden gebezigd. Maar hoe was het tegenwoordig? Niet alleen dat ze drie of meer keer terug mochten komen om zijn tijd te verpesten met hun slecht geleerde lesje, ze konden ook nog bij de studentendecaan een zielig verhaal gaan ophangen en op die manier toch verlenging van hun rijkstoelage krijgen. En waarvoor in godsnaam? Iemand die geen klap kon uitdelen gaf je toch ook geen papiertje mee dat hij zich bokskampioen mocht noemen? Waarom dan iedereen die niet studeren kon tot gediplomeerd chemicus te bombarderen? Omdat het democratisch was? Maar wie had er nu wat aan, als iemand wijsgemaakt werd dat hij kennis bezat die hij niet beheerste? Hoe zou die man later zijn boterham moeten verdienen? Dag in dag uit met taken belast die hij niet de baas kon? Of als beroepswerkloze? Misschien was het dat laatste wat ze wouwen. Nee maar! Dat was het ideaal waarnaar het rode volkje streefde: werkloos ‒ met een universitair diploma. Want zo kreeg je een hogere werkloosheidsuitkering dan een werkloze putjesschepper.

Wat mij ook een beetje tegenvalt van Hermans is dat hij stilistisch zo droog is, dat heeft u uit bovenstaande citaten misschien zelf al kunnen concluderen. Het is allemaal zo zakelijk en weinig verbeeldend. Slechts helemaal op het eind krijg je zo'n stukje, dat helemaal nergens vandaan lijkt te komen:

Voor haar uit ging hij naar beneden. De gids had al zo’n grote voorsprong, dat ze hem niet meer zagen. Alleen hoorden ze zijn stem zo nu en dan, wanneer hij een of andere uitleg opdreunde, die ze niet konden verstaan. Tussen dikke draperieën van witte kalksteen, glanzend door water dat er langs droop, kronkelde het trappenstelsel naar beneden, onafzienbaar diep. Onder de elektrische lampjes stak soms wat mos of een varentje groen af tegen de witte kalk. Plantjes die nooit door de zon beschenen waren; hoe verdrietig. De druipsteenformaties deden denken aan van alles dat huiveringwekkend om te zien is en daarom van nature zelden aan het daglicht komt. Aan lebmagen en darmen van koeien, duizendmaal vergroot, aan de verkalkte aders van een seniele reus. Of aan ontvleesde kaken, gespleten beenderen, alles wit glibberig of het met melk overgoten was. Glanzend als kaarsvet dat nooit zou branden. Als ijs. Aan gordijnen van draderig slijm, afhangend van het kraakbenen verhemelte in de mondholte van een draak. Ja, de grot was de muil van een enorm monster, vol tanden waar vergif uit droop. Hier kwam eindelijk de waarheid aan het licht: de aardkorst was niets dan de vuile opperhuid van een ondier dat in leven bleef door op den duur alles te verzwelgen. Generatie na generatie werd opgeslokt en in de vorm van planten weer uitgezweet en daarvan groeide de volgende generatie op, om op haar beurt te worden verslonden. Eeuwige kringloop. Eeuwige kringloop? Om te gapen zo banaal. Toch was het zo. Uitgekauwde en afgezaagde gedachte. Maar iets anders blijft er niet over. Kringloop. De praatjes waaien weg en de atomen blijven. Alles wat niet banaal is in de filosofie, het mag misschien een ogenblikje leuk zijn, op den duur blijkt toch altijd weer dat het onzin is.

Conclusie: uiteraard is Hermans zeer kundig romancier, maar zijn literaire tafeltje staat hier wat mij betreft niet helemaal stabiel. Ik mis hier iets van het viscerale van Brouwers, of het weelderige van Pfeijffer.


Wat drink je hierbij?

Terschellinger Cranberrywijn.

18 views

Recent Posts

See All

Comments


bottom of page